Frequentie van de ontlasting

Goed werkende darmen moeten een a twee keer per dag geleegd worden. In zijn natuurlijke omgeving ontlastte de primitieve mens zich twee tot drie keer per dag. Als u slechts om de twee a drie dagen of langer uw ontlasting uitscheidt, is dat een zeker teken van een slechte darmwerking. Het is niet nodig om op een vast uur naar het toilet te gaan, maar dat kan de drang tot ontlasting wel prikkelen.

Het principe van de juiste lichaamschemie

Het principe van De juiste Lichaamschemie heeft te maken met het feit dat het menselijk spijsverteringssysteem de chemische wetten niet naast zich neer kan leggen, maar in zijn eigen stofwisseling gehouden is de chemische wetten na te leven. Stof-wisseling is in feite een complexe materie waarbij lichaamschemie bepalend is voor de aanmaak van duizenden stoffen die ons lichaam aanmaakt voor zijn eigen voortbestaan.

In de lichaamschemie gaan iedere minuut duizenden opdrachten fout, met de aanmaak van ongewenste nevenproducten. Het lichaam beschikt over een zeker vermogen om deze fouten te compenseren, te neutraliseren of ongedaan te maken.

Het krijgt daarbij de hulp van de buffersystemen: de ademhaling, de huid, de bloedstroom, de reinigingsorganen, de enzymproducerende klieren, de aanwezigheid van zuurstof, anti-oxydanten, mineralen enz.

Maar als mens kunnen we een serieuze inbreng doen in het goed of fout lopen van die lichaamschemie. We kunnen ervoor zorgen dat de lichaamschemie al in de problemen komt vanaf het moment dat de basisstoffen aangeleverd worden. Iedere maaltijd kan een aanslag zijn, waarbij van de vermogens van het organisme een onmogelijke taak wordt verwacht.

Want de lichaamschemie bepaalt ook het rendement van de voeding, d.i. hoeveel vitale energie wij ná de stofwisseling overhouden in verhouding tot de potentiële energie die een product rijk was. Calorieën vertellen niet alles over de voedingskracht va n een product. Een product dat verkeerd wordt bewerkt omdat de omstandigheden geen andere keuze lieten, bv. Door de slechte combinatie, heeft slechts bitter weinig energie.

  • De spijsvertering is een ingewikkelde bewerking van het voedsel, waaraan duizenden verschillende stoffen te pas komen.
  • Dit proces begint vanaf de mond, bij de afgifte van speeksel. De maag staat klaar voor de bewerking van vetten en eiwitten. Lever, galblaas en alvleesklier storten hun klierprodukten in de darm uit. De afvoerbuis van de galblaas mondt te samen met de afvoergang van de alvleesklier uit in de twaalfvingerige darm.
  • Per 24 uur komt in de dunne darm een grote hoeveelheid spijsverteringssappen terecht:
    - 1500 ml speeksel
    - 3500 ml maagsap
    - 500 ml aanvocht
    - 700 ml pancreassappen
    - 3500 ml dunne-darmsap

Bij elkaar meer dan negen liter vocht voor de vertering van onze dagelijkse portie van 2.000 tot 2,500 gram

  • Het is mogelijk dat de uitscheidingen verschillen van persoon tot persoon en in relatie staan tot het type voedsel dat men gebruikt.
  • De spijsverteringssappen bestaan in het algemeen uit waterige oplossingen van enzymen en hormonen.
  • Behalve enzymen worden namelijk door maag en dunne darm ook hormonen geproduceerd.
  • Tal van factoren regelen de afscheiding (secretie) van deze enzymatische en hormonale producten door de cellen van het maag-darm- stelsel.
  • Naast een ononderbroken zgn. basale afscheiding (permanente) wordt vooral na de maaltijden een vermeerdering van de afscheiding waar- genomen.
  • Ongeveer drie uur na de maaltijd bereikt de afscheiding van het dunnedarmsap zijn hoogtepunt.
  • De afscheiding wordt enerzijds plaatselijk geregeld door hormonale factoren, maar anderzijds ook door het zenuwstelsel.
  • Zo heeft het parasympathisch deel van het autonoom zenuwstelsel een activerende werking op de afscheiding van dunnedarmsap, terwijl het sympathisch zenuwstelsel in het algemeen remmend werkt op dit proces. Zo zorgt het zenuwstelsel voor evenwicht en controleert de doseringen.
  • De drie belangrijkste voedingsbestanddelen zijn de suikers, vetten en eiwitten.
  • De vertering en opname van deze producten verschilt nogal en ook de stoornissen in die processen zijn ongelijk van aard.

Vertering van suikers

Diverse soorten suikers (meestal bekend onder de algemene benaming ''koolhydraten, w.o.ook zetmeel) nemen in de voeding een belangrijke plaats in als energiebron.

  • Suikers zijn voor de mens de enige efficiente energiebron en zelfs binnen de groep van de suikers zijn er enorme verschillen.
  • Suikers worden in beperkte mate opgeslagen in de lever en de spieren in de vorm van glycogeen.
  • De suikers (koolhydraten) zijn opgebouwd uit de elementen koolstof, waterstof en zuurstof.
  • Praktisch alle suikers zijn van plantaardige oorsprong. Planten bezitten namelijk het vermogen om uit koolzuur en water, met behulp van energie van de zon, koolhydraten te maken.
  • De koolhydraten of suikers worden ingedeeld in:
    • enkelvoudige suikers zoals glucose;
    • tweevoudige of dubbele) suikers zoals rietsuiker (sucrose) en melksuiker (Iactose)
    • meervoudige suikers zoals zetmeel.
  • De meervoudige suikers bestaan uit langgerekte reeksen van het enkelvoudige suiker glucose.
  • Tweevoudige suikers zijn opgebouwd uit enkelvoudige suikers, zoals glucose, galactose en fructose.
  • In de voeding van de meeste mensen komen voornamelijk zetmeel, melksuiker en riet- of bietsuiker voor.
  • Melk en melkprodukten zijn ongeveer de enige bron van lactose; zo bevat koemelk ca. 40 gram lactose per liter.
  • Alle dubbele suikers moeten door middel van enzymen tot enkelvoudige suikers worden afgebroken alvorens ze kunnen worden opgenomen door de darmcellen.
  • Zetmeel is samengesteld uit een mengsel van de meervoudige suikers amylose en amylopectine.
  • Amylose bestaat uit rechte, onvertakte glucosemoleculen, terwijl amylopectine uit vertakte ketens van glucosemoleculen is opgebouwd.
  • Het enzym ptyaline, dat in het speeksel voorkomt, verzorgt de eerste stap in de afbraak van de meervoudige suikers.
  • Zowel amylose als amylopectine worden door het enzym amylase van de alvleesklier afgebroken, zodat zetmeel uiteindelijk wordt afgebroken tot de tweevoudige suiker maltose.
  • De afbraak van de tweevoudige suikers - bijv. maltose saccharose en lactose - geschiedt door enzymen die door de slijmvliescellen van de dunne darm worden geproduceerd.
  • De enzymen zijn genoemd naar de stof die zij afbreken.
    Zo breekt het enzym maltase de tweevoudige suiker maltose af, lactase breekt lactose af enz.
  • De afbraak van tweevoudige suikers vindt niet alleen plaats in de holte van de darm maar ook in de directe nabijheid van de slijmvliescellen.
  • De enkelvoudige suikers komen via de darmcellen in de aders terecht, glucose en galactose worden daarbij actief door de darmwand getransporteerd, terwijl fructose zich passief verspreidt in de diepere lagen van de darmwand.

Stoornissen in de suikervertering.

  • Vooral het ontbreken van alvleeskliersap, waarin zich het enzym amylase bevindt, leidt tot onvoldoende af- braak van zetmeel.
  • Hierdoor bereiken niet afgebroken fracties zetmeel de kronkeldarm en de dikke darm.
  • De grote hoeveelheden suikers in de dikke darm stimuleren de daar aanwezige darmflora.
  • Specifieke stoornissen in de opname van suikers kunnen ook optreden bij ziektestoestanden die gepaard gaan met een verdwijnen van de uitstulpingen van de darmwand. Beschadiging van de darmoppervlakte kan een slechtte transformatie teweegbrengen, maar ook een geringe opname van de voedingsstoffen.
  • Soms gebeurt het omgekeerde: de darm heeft ook een barrière-functie die doorsijpeling van ongewenste stoften voorkomt. Bij beschadiging kunnen teveel niet voorziene stoffen in de bloedstroom komen. In dat geval spreekt men van het ‘lekkende darm syndroom’.
  • Soms ontbreekt het enzym lactase, hetgeen tot gevolg heeft dat na het drinken van melk bepaalde stoornissen optreden. Zo klagen de patiënten over een opgezet gevoel in de buik, krampen, gasproduktie en een spuitende, vloeibare, zure ontlasting (diar ree). Het tweevoudige suiker lactose komt in de dikke darm terecht waar het door de daar aanwezige colibacteriën wordt afgebroken tot melkzuur en azijnzuur. Zowel de dunne darm als de dikke darm wordt door deze produkten geïrriteerd, wat de bovengenoemde verschijnselen tot gevolg heeft.
    In nagenoeg alle culturen bestaat een melkintolerantie onder volwassenen. Vanaf het moment dat kinderen gespeend worden, verdwijnt hun vermogen om nog verder melk te verteren. Westerlingen met een lange zuivelcultuur verteren melk beter omdat ze beschikken over de nodige verteringsenzymen.

Vertering van eiwitten

  • Eiwitten (proteïnen) worden afgebroken door eiwit-splitsende (proteolytische) enzymen (proteo is afgeleid van proteïnen of eiwitten en lysis van luo, hetgeen oplossen betekent).
  • Eiwitten worden nooit direct afgebroken tot aminozuren, die door de darmwand worden opgenomen.
  • De afbraak voltrekt zich via een reeks van enzymatische tussenstadia, waarbij de grote eiwitfracties tot steeds kleinere onderdelen worden afgebroken.
  • Eiwitten in hun natuurlijke toestand zijn echter tamelijk goed bestand tegen de inwerking van eiwit-splitsende enzymen.
  • In de natuurlijke toestand hebben de eiwitten een stevige, driedimensionale structuur, die eerst gedeeltelijk moet worden afgebroken.
  • Dit proces wordt denaturatie - het verlies van natuurlijke eigenschappen - genoemd. De denaturatie begint veelal tijdens het bereiden van het voedsel, bijv. door bakken en koken, maar vindt vooral plaats in de maag door inwerking van het maagzuur (chloor, HCI).
  • Het enzym pepsine dat in de maag voorkomt maakt vervolgens een begin met de splitsing dam de gedenatureerde eiwitten in zgn. polypeptiden.
  • In de dunne darm wordt de afbraak voortgezet. Hier is het afbraakproces echter aanmerkelijk ingewikkelder. In het darmsap zelf bevinden zich een aantal eiwit-splitsende enzymen, die een deel van de verdere afbraak voor hun rekening nemen.
  • Van veel grotere betekenis is echter een aantal hormonen die in bepaalde delen van de dunne darm voorkomen.
  • Zo wordt enterokinase afgescheiden door de cellen van de twaalfvingerige darm. Hierdoor wordt het door de darmwand in onwerkzame vorm afgescheiden spijsverteringsenzym trypsinogeen omgezet in het werkzame trypsine, dat op zijn beurt een aantal producten uit de alvleesklier in hun werkzame vorm omzet.
  • Enterokinase bekleedt op deze wijze een sleutelpositie in het gehele proces van de eiwittenvertering. Ook de producten van de alvleesklier worden namelijk in een inactieve vorm afgescheiden en pas na inwerking van trypsine ontstaan uit deze zgn. pro-enzymen, de eigenlijke enzymen.
  • Behalve het enterokinase worden ook nog twee andere hormonen - secretine en pancreozymine - door het slijmvlies van de twaalfvingerige darm afgescheiden.
  • Secretine brengt vooral de afscheiding van het alvleeskliersap op gang.
  • Door de inwerking varn dit hele complex van enzymen worden de eiwitten uiteindelijk afgebroken tot kleine fracties. Maar nog zijn het geen aminozuren.
  • Deze laatste stap in het afbraakproces geschiedt door een aantal enzymen uit cellen in de wand van nuchtere darm.
  • De kleine dichtstukken (dipeptiden) worden afgebroken tot aminozuren.
  • Er zijn vele tientallen van deze afbraakenzymen (peptidasen of dipeptidasen) aangetoond. Tenslotte worden de aminozuren door een speciaal transportsysteem door de cellen van de darmwand opgenomen, waarna ze uiteindelijk via een aantal kleine aders terechtkomen in de poortader, die zorgt voor het vervoer naar de lever.

Stoornissen in de eiwitvertering

Een volwassen persoon moet ca. 30 gram eiwit van hoge biologische waarde per dag innemen geseinde aan de dagelijkse behoefte aan aminozuren van alle organen te kunnen voldoen. Gedurende een etmaal bevinden zich onder normale omstandigheden veel meer eiwitten in de darminhoud.

  • De enzymen zelf zijn namelijk ook omgebouwd uit eiwitten. Hun aandeel is ca. 150 gram eiwit (zgn. endogene proteïnen).
  • Ook deze enzymatische eiwitten worden uiteindelijk afgebroken tot aminozuren en in die vorm door de darmwand opgenomen teneinde opnieuw als bouwstoffen voor nieuwe lichaamseiwitten te dienen.
  • Van de eiwitten die worden opgenomen met het voedsel wordt ongeveer 80 procent in de dunne darm afgebroken en opgenomen, ongeveer tien procent wordt verteerd in de dikke darm en de ontlasting bevat in normale gevallen nog een restant van ongeveer tien procent.
  • Stoornissen in de afbraak en opname van eiwitten treden vooral op indien de alvleesklier niet naar behoren werkt en bij slechte combinaties.
  • Bij afwezigheid van alvleeskliersap in de dunne darm, dus bij afwezigheid van een belangrijk deel van de eiwitsplitsende enzymen, gaan veel eiwitten met de ontlasting verloren. Hetzelfde gebeurt wanneer eiwitten niet naar behoren bewerkt kunnen worden omdat ze voorkomen in een ''onverenigbare combinatie'' die verschillende belangen heeft in de vertering.
  • Onvoldoende werking (insufficiëntie) van de alvleesklier bij kinderen berust meestal op een erfelijke aandoening (cystische fibrose) welke leidt tot vernietiging van het weefsel van de alvleesklier.
  • Bij volwassenen is meestal een telkens terugkerende ontsteking de oorzaak van een onvoldoend werkzame alvleesklier.
  • In landen met voedseltekort of waar de voeding eenzijdig uit graanpap en graanbereidingen bestaat is er veelal sprake van eiwittekort in het voedsel.De meest voorkomende kinderziekte ter wereld wordt dan ook veroorzaakt door eiwittekort. Deze zieke (kwashiorkor) is echter zeer zeldzaam in landen met een hoge levensstandaard.

Vertering van vetten

In een optimale voeding mogen ook de vetten niet ontbreken. Ze verzorgen het zuurstoftransport doorheen ons lichaam. In feite gaat het om de kleinste behoefte van de ''grote 3''.

  • Vetten leveren als brandstof theoretisch de grootste hoeveelheid verbrandingswarmte, nl. per gramgewicht dubbel zoveel als eiwitten of koolhydraten. Dit is een puur theoretisch model dat ons zou besluiten om maar veel vetten te gebruiken om veel ‘energie’ te bekomen. De realiteit leert ons dat een onvoldoende of verkeerde vetafbraak geen vitale energie levert.
  • Vele organen, bijvoorbeeld het hart, liggen ingebed in een laag zgn. steun- vet, die een zekere stevigheid geeft. Bij langdurige hongertoestanden wordt dit vet slechts langzaam opgebruikt; kennelijk is de steunende taak belangrijker dan de opslag van vet.
  • In het onderhuidse bindweefsel wordt een wisselende hoeveelheid vet in opslag gehouden om in slechtere voedingstoestanden te worden afgebroken.
  • Dit vetweefsel treedt bovendien op als isolatiemateriaal om het lichaam tegen overmatige afkoeling te beschermen. Het speelt dus tevens een rol bij de zgn. warmtehuishouding.
  • Toch is het niet zeldzaam om zelfs personen met overgewicht te horen klagen over ''kou''. Warmte heeft te maken met het warmtetransport, of de circulatie. Zwaarlijvige mensen hebben dikwijls oedematische zwellingen, waterophopingen en vetophopingen die het normaal transport verhinderen.
  • Tenslotte is er nog de discussie over een aantal vitamines - beter bekend als de in vet oplosbare vitamines A, D, E en K - die vet gebruiken als transportmiddel alvorens door de darmcellen uit het voedsel te worden opgenomen. Ook dit is een puur theoretische aangelegenheid. Volgens sommigen zou vitamine A niet opgenomen kunnen worden, tenzij ze samen met vet gegeten werd. Wortels eten zonder saus zou dus weinig opleveren. Gelukkig rekent ons organisme anders.
  • Vetten zijn opgebouwd uit vetzuren en glycerol. Beide organische verbindingen bestaan uit koolstof, waterstof en zuurstof . Dit zin dus dezelfde elementen als van de suikers, alleen in andersoortige scheikundige verbindingen.
  • Er worden twee groepen vetten onderscheiden : verzadigde en onverzadigde.
  • Vele verzadigde vetten zijn van dierlijke oorsprong, de meeste onverzadigde vetten zijn van plantaardige aard.
  • Het verzadigde karakter van de vetzuren is afhankelijk van de scheikundige samenstelling, met name van het aantal enkelvoudige verbindingen tussen de koolstofatomen.
  • De vetten worden in het maag/darmstelsel afgebroken tot glycerol en losse vetzuren, die door de darmwand worden opgenomen.
  • Bij de vertering van de vetten spelen de galprodukten een belangrijke rol.
  • De galzouten maken van de vetten een oplossing van zeer fijne vetdruppeltjes.
  • Verder zorgt het enzym lipase uit de alvleesklier ervoor dat vrije vetzuren ontstaan.
  • Vetzuren hebben van nature een zeer beperkte oplosbaarheid in water. De aanwezigheid van galzouten zorgt er echter voor dat de oplosbaarheid van deze moleculen in belangrijke mate wordt verhoogd.
  • Galzouten zijn namelijk in staat samen met de vetzuren en enkele andere vetachtige producten en verder ook cholesterol en vet-oplosbare vitamines, kleine eenheden (zgn. micellen) te vormen.
  • In de cellen van de darmwand vindt dan een omgekeerd proces plaats, zodat weer grote moleculen ontstaan. Deze worden niet opgenomen door de darmaders maar door de kleine lymfvaten en zo komen ze, via de borstbuis, uiteindelijk in het bloed- vatenstelsel terecht.

Stoornissen in de vetvertering

Normaal wordt ongeveer 95 procent van de vetbestanddelen in het voedsel door de darmwand opgenomen.

  • Bij stoornissen in de vertering of opneming komen veel vetten in de ontlasting terecht (steatorroe).
  • Dit ziekteverschijnsel komt het meest voor na operaties van een maag- of darmzweer. Bij dergelijke operaties wordt de maaguitgang (pylorus) onwerkzaam gemaakt. Een van de belangrijkste taken van de maaguitgang is dat hij het transport van de voedselbrij van de maag naar de twaalfvingerige darm regelt. Bij het wegvallen van die functie komen grote hoeveelheden voedsel direct in de darm met het gevolg dat er een slechte vermenging plaatsvindt met de spijsverteringskanalen uit de gal- blaas en de alvleesklier.
  • Een andere belangrijke oorzaak van een stoornis in de vetopneming is het ontbreken van galzouten, bijv. door het blokkeren (obstructie) van de verbinding tussen galblaas en twaalfvingerige darm.
  • Ook hierbij komt er veel vet in de ontlasting.
  • Een tekort aan het enzym lipase uit de alvleesklier leidt tot een sterke stijging van het vetgehalte van de ontlasting.

Spijsverteringsorganen

De vertering van ons voedsel gebeurt door een reeks organen. Verschillende organen en klieren scheiden stoffen af die belangrijk zijn voor de spijsvertering. Deze organen en klieren zijn de galblaas, de alvleesklier en de lever. De producten van deze organen komen deels via afvoergangen in het begin van de dunne darm terecht (twaalfvingerige darm).

  • Galblaas
    De galblaas is een peervormig orgaan aan de rand van de lever, dat dient als reservoir voor door de lever geproduceerde gal. Na maaltijden brengt de galblaas door samentrekkingen de gal snel via de galbuis, in de twaalfvingerige darm voor de vertering van voedsel.
  • Galweg
    Het afvoerkanaaltje van de galblaas mondt uit in de grote galafvoerweg van de lever naar de twaalfvingerige darm, het eerste gedeelte van de dunne darm. De galblaas is een orgaan dat gemist kan worden. Alleen al vanwege de galstenen wordt deze in Nederland per jaar vele duizenden malen wordt verwijderd en vanwege ontsteking van de galblaas.
  • Alvleesklier(pancreas)
    De alvleesklier is een van de vele klieren (buikspeekselklier, speekselklier, schildklier, traanklier etc) in ons lichaam. Klieren zijn organen die bepaalde stoffen produceren die belangrijk zijn om normaal te kunnen functioneren. De alvleesklier produceert ongeveer één liter vocht per dag. Dit vocht zorgt ervoor dat de zure massa uit de maag wordt geneutraliseerd. De enzymen in dat vocht splitsen vetten en eiwitten in nóg kleinere deeltjes. De alvleesklier maakt ook hormonen aan, waaronder insuline (belangrijk voor de suikerhuishouding). Deze hormonen worden aan het bloed afgegeven en komen zo op de bestemde plaatsen in het lichaam.

    De alvleesklier is een langwerpig orgaan dat boven in de buik ligt. De alvleesklier bestaat uit drie delen: een staart, middengedeelte en kop. Net als het afvoerkanaaltje van delever en de galblaas komt het afvoerkanaaltje van de alvleesklier uit op de twaalfvingerige darm (eerste deel van de dunne darm). Dat gebeurt op de plek die Papil van Vater heet. Voordat de galweg in de twaalfvingerige darm komt, loopt deze nog een deel door de kop van de pancreas.
  • Lever
    De lever is de grootste chemische fabriek in ons lichaam. Het orgaan is beveiligd door de onderste ribben van de borstkas en ligt onder het middenrif, rechts boven in de buikholte. Met zijn gewicht van 1,5 kilo is de lever niet alleen het zwaarste, maar - na de hersenen - ook het meest veelzijdige orgaan.

    Per minuut stroomt door de leverslagader en de poortader anderhalve liter bloed de lever binnen. Het bloed dat naar de poortader komt is afkomstig uit de maag, de darmen, de milt en de alvleesklier. In dit bloed bevindt zich het voedsel dat al door de andere spijsverteringsorganen zoals de maag verwerkt is: eiwitten, die afgebroken zijn tot aminozuren, koolhydraten in de vorm van suikers, vetten, en andere stoffen.

Ook maakt de lever gal aan, die belangrijk is voor de vetvertering. Per dag produceert de lever iets meer dan een halve liter gal. Die gal komt via de galweg en na opslag in de galblaas in de darmen, wat gebeurt als we vet eten. Gal verandert de vetten in kleine druppeltjes, die gemakkelijk opneembaar zijn in het bloed.

De lever heeft veel functies waarbij de ontgiftende werking de meest belangrijke is. De lever verwerkt de meeste voedingsstoffen die uit de darmen in het bloed zijn opgenomen. De lever maakt ook alle eiwitten aan die in het bloed een eigen functie vervullen, bijvoorbeeld eiwitten die nodig zijn voor een goede bloedstolling (stollingsfactoren), of die een taak hebben in het afweerstelsel dat ons lichaam beschermen moet (immuunglobines). Verder zuivert de lever het bloed van schadelijke stoffen uit medicijnen, alcohol en chemicaliën. Via de leverader komt het gezuiverde bloed terug in de bloedbaan.

Klachten aan de spijsverteringsorganen
Door ziekten of niet goed functioneren van spijsverteringsorganen kunnen diverse klachten optreden:

  • Pijn, vol gevoel, opboeren, zuurbranden;
  • Diarree, gewichtsverlies;
  • Geelzucht, jeuk, vocht in de buik, bloedingen in het maagdarmkanaal, verwardheid.

Soms treden er ook verschillende vage klachten op die pas als ze langer aanhouden, een alarmbel doen rinkelen. De algemene lichamelijke conditie bij voorbeeld verslechtert en u knapt niet op. Zelfs niet als u het langere tijd rustig aan doet en goed op voeding en beweging let. Er kan ook sprake zijn van onverklaarbare moeheid, slechte eetlust en gewichtsverlies zonder aanwijsbare reden. Soms komt ongewone hoofdpijn of pijn elders in het lichaam voor.

Deze klachten kunnen ook wijzen op andere aandoeningen. Houden de klachten langer aan dan gebruikelijk of verergeren ze snel, neem dan contact op met uw huisarts. Hij kan op korte termijn een afspraak met u maken. Dit geldt voor iedereen die nog nooit eerder klachten heeft gehad, maar in het bijzonder voor iemand die al eens kanker heeft gehad.

Gevoel
Sommige mensen gaan niet meteen naar de huisarts omdat ze bang zijn dat deze zal zeggen dat ze kanker hebben. Deze angst blijkt dikwijls onnodig te zijn, omdat het vaak om iets anders dan kanker gaat. Als de klachten aanhouden is het altijd goed om ze voor te leggen aan de huisarts.

Het lymfesysteem

Alle cellen in ons lichaam zijn omgeven door een vloeistof die extracellulair weefselvocht wordt genoemd. Het lymfesysteem zuivert deze vloeistof en zorgt ervoor dat de cellen in een gezonde omgeving leven. De afgifte van afvalstoffen en de opname van de voedingstoffen, die zich afspeelt tussen bloed en cellen, verloopt via het weefselvocht. Sommige afvalstoffen komen niet rechtstreeks in de bloedbaan terecht en verzamelen zich in het weefselvocht. Dit vocht stroomt in de lymfevaten en door de lymfeknopen, die afvalstoffen en bacteriën filtreren. Als het weefselvocht zich in de lymfevaten bevindt, wordt het "lymfe" genoemd.

Overal in het lichaam zijn lymfevaten en lymfeknopen. De lymfevaten verzamelen zich in steeds grotere vaten en uiteindelijk monden ze onder de sleutelbenen in de aders uit .

De lymfeknopen bevinden zich in de nek, oksels, borst, buik, liezen, elleboogholten en knieholten. Ook de milt, de thymus en de amandelen maken deel uit van het lymfesysteem.

Het lymfesysteem speelt een belangrijke rol in de immunologische strijd tegen infecties en ziekten. De lymfeknopen en de thymus produceren de lymfocyten, een type witte bloedcellen die infecties bestrijden. De lymfeknopen fungeren ook als filterstation om te voorkomen dat infecties zich in het lichaam gaan verspreiden.

In tegenstelling tot de bloedsomloop heeft het lymfesysteem geen hart om de lymfe door het lichaam te pompen. De beweging van de lymfe is voornamelijk afhankelijk van de contractie van de naburige skeletmusculatuur. De druk in de lymfevaten is daardoor zeer laag en de lymfedrainage is meestal beperkt.